Begrijp je ziekte

 

VRAGEN OP ZOEK NAAR ANTWOORDEN

_______________________________________

(Deze tekst kan op om het even welk ogenblik opnieuw geraadpleegd worden door te klikken op de tab vraag bovenaan rechts)

Ziehier een klein staaltje van deze vragen waaronder meer dan één zeker reeds in uw gedachten opwelde. Om te variëren zullen wij volgende domeinen overlopen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ENKELE GOEDAARDIGE AANDOENINGEN

Waarom krijgt men eczeem, een ischiasneuralgie of die pijnlijke schouderaandoening die men scapulo-humerale periarthritis noemt? Het feit alleen al van aangetast te zijn door een aandoening lijkt reeds een mysterie maar daarbij komen nog andere, even rechtmatige vragen. Eerst en vooral over de ernst van de aandoening, waarom een eczeem, een ischias of een periarthritis van de schouder die enkele dagen, weken, maanden of jaren duren; of die volgens een zeer gevarieerd ritme terugkeren? Dan weer – wanneer het gaat om weefsels die over het ganse lichaam verspreid zijn – is er de even pertinente vraag over de lokalisatie : waarom een eczeem (of een furunkel, een wrat, etc…) op het gelaat, op de thorax, op de bil of op de voet? Waarom een ischias of een periarthritis van de rechter- of van de linkerschouder?

Waarom ontwikkelen de mannen veel vaker longontstekingen, maagzweren of hartinfarcten dan de vrouwen? Men kan om verschillende redenen hoesten : secreties van een verkoudheid die achteraan in de keel lopen, faryngitis, laryngitis, tracheïtis, bronchitis, pneumonie, etc… Kent U veel mannen die tijdens het hoesten hun stem verliezen, wat neerkomt op een aantasting van de larynx? Zowel mannen als vrouwen hebben een urineblaas: waarom komt cystitis zo zelden voor bij de man terwijl dit frequent voorkomt bij de vrouw? Waarom ontwikkelen de vrouwen veel meer schildklieraandoeningen (meer bepaald dan “koude knopen”, d.w.z. niet functionele), flebitis en rectale letsels?

Een klein enigma: waarom ontwikkelen de mensen die als “gek” worden beschouwd – en ik denk hier meer bepaald aan de autisten – bijna geen enkele ziekte meer; en waarom worden de zeldzame personen die aan die ziekte ontsnappen opnieuw ziek, net als alle anderen? Dit feit is goed gekend door de psychiaters.

 

KANKER

Ondanks de decennia gewijd aan de research is men er nog niet in geslaagd een antwoord te geven op de elementaire vragen: waarom overwoekert hij ons op een dag en waarom juist in dat orgaan? Wij zullen uitwijden over de opvatting van deze ziekte en, om de uitdrukking van een Franse oncoloog over te nemen, over “een middeleeuwse visie : die van de duivel”. Maar, laten we even stilstaan bij een verschrikkelijke eigenschap van de “kwaadaardige” tumor. In tegenstelling met de goedaardige tumor heeft deze de eigenschap van te kunnen uitzaaien, d.w.z. dat uit de tumor beschouwd als het oorspronkelijke, primaire of “moeder” gezwel, cellen ontsnappen die op hun beurt secundaire of “dochter” gezwellen vormen die metastasen worden genoemd; dit fenomeen kan gaan tot een veralgemeende kanker.

Als U enkele jaren geleden een kanker had en men ontdekt een nieuwe tumorlokalisatie, bestaat er veel kans dat men ex cathedra spreekt over metastasen. Wat erop neerkomt een onzeker fenomeen (het dochtergezwel) te verklaren als zijnde het gevolg van een ander, eveneens miskend, fenomeen (het moedergezwel). Een boel vraag stellen zich nu in verband met dit concept van metastasen, een opvatting die één van de ontastbare fenomenen is van de oncologie. Waarom veroorzaakt een kanker metastasen bij die zieke en niet bij een andere? Waarom metastasen in die periode: op hetzelfde ogenblik als de ontdekking van de oorspronkelijke tumor, zes maanden, twee jaren of tien jaren nadien? Waarom een eventuele jarenlange uitstekende gezondheid tussen de kanker en zijn metastasen? Waarom metastasen in dit orgaan eerder dan in een ander? Waarom een dergelijke variatie in de evolutie van de metastasen? Hoe kan een uitzaaiende cel zich vervormen? Het blijkt namelijk dat men cellen met een verschillende structuur terugvindt in de oorspronkelijke tumor en in de secundaire tumor! Illustreren we deze laatste, meer complexe, vraag met een voorbeeld. Men spreekt over hersenmetastasen van een longkanker. De longcellen nu hebben een gepavimenteerde structuur (vandaar de term epithelioom in het medische jargon) terwijl alle tumorcellen afgenomen in de hersenen uitsluitend van gliale aard zijn, met een totaal verschillende structuur. Welk mirakel doet een kankercel op zo’n manier van structuur veranderen tijdens haar migratie?

 

LEUKEMIE

Leukemie wordt beschreven als zijnde een soort van kanker van het beenmerg. Dit beenmerg staat in voor de vervaardiging van het bloed. Dit merg kan op die manier, in sterke mate, de bloedcellen, die in de bloedvaten circuleren, vermenigvuldigen. Deze “kwaadaardige” bloedcellen zijn vooral de witte bloedcellen, vanwaar de term leukemie (van het Grieks leukos, wit). Dit bijzonder type kanker versterkt nog het onbegrip van het kankerfenomeen en roept nog bijkomende vragen op (naast deze eigen aan kanker : waarom verschijnt hij? waarom die evolutie? etc…). Daar de kwaadaardige cellen hier precies verspreid worden in het bloed, waarom zijn er niet oneindig veel meer gevallen van metastasen dan bij andere kankers? Er zijn er, integendeel, bijna geen. Waarom evolueert deze kanker – en wordt hij overeenkomstig gevolgd en behandeld – volgens zo een merkwaardig scenario : men spreekt steeds over “remissie” wanneer de behandeling het gehalte aan witte bloedcellen heeft doen slinken, terwijl men een latere “herval” verwacht? Waarom wordt de situatie alarmerend geacht wanneer het gehalte aan witte bloedcellen ligt tussen de 50 of de 100.000 (norm : tussen 4 en 10.000) daar waar de volledig normale fysiologische schommelingen van de rode bloedcellen liggen tussen 4 en 5,8 ….. miljoen? Met ander woorden : waar ligt het gevaar wanneer men 100 of 200.000 witte bloedcellen meer heeft als de totale variatie van al onze bloedcellen ongeveer 2.000.000 kan bedragen? Wij zullen de oorsprong en het precieze mechanisme verklaren van wat leukemie genoemd wordt.

 

MULTIPELE SCLEROSE

Vatten we de essentiële inhoud samen van deze diagnose : een aftakeling van het zenuwstelsel door sclerose van de myelinehuls. De aandoening is van een onbekende oorsprong, ongeneeslijk, evolueert met opstoten waarvan de frequentie zo grillig en variabel is dat het vooruitzicht van de krukken en van de rolstoel op termijn zal afhangen van de verdeling in min of meer ernstige vormen  een verdeling die resulteert uit … de omvang van de reeds waargenomen symptomen. Het antwoord op enkele essentiële vragen zou dit somber beeld radicaal wijzigen. Waarom begint men een multipele sclerose? Wat doet een opstoot uitbarsten? Waarom is cortisone vaak doeltreffend, maar kan het even goed de symptomen verergeren? Waarom verergert de evolutie vaak na bekendmaking van de diagnose? Dit laatste is des te makkelijk waar te nemen daar de diagnose veel later wordt gesteld dan de vaststelling van de eerste tekenen.

 

AIDS

Ook hier is de diagnose zo zwaar dat wij er een gans hoofdstuk aan zullen wijden in het tweede deel van de brochure. Vijftien jaren van intensieve onderzoekingen zijn er niet in geslaagd antwoorden te geven op enkele sleutelvragen die de basis van deze theorie van acquired immunodeficiency in vraag zouden kunnen stellen. Waarom verlengt de overleving op lange termijn proportioneel met de tijd die verstrijkt sinds de beschrijving van deze aandoening met zulk een pessimistische prognose? In diezelfde zin: welke zijn de redenen om hieraan te overleven eerder dan eraan te sterven? Wat veroorzaakt de overgang van een eenvoudige symptoomloze seropositiviteit naar de eigenlijke ziekte? Waarom een dergelijke opportunistische infectie eerder dan een andere? Of, waarom bijvoorbeeld een tumor van Kaposi en waarom op die plaats van het lichaam?

 

ANATOMIE, FYSIOLOGIE

Waarom wordt een maagzweer quasi uitsluitend aangetroffen aan de uitgang van de maag (holte en portier, naast de lokalisatie aan het duodenum, men spreekt dan van duodenumulcus) en niet in het grootste deel van de maag zijnde de bodem en de grote curve? Waarom is dit grootste deel de plaats waar zich grote tumoren vormen in de vorm van een bloemkool die niet voorkomen aan de uitgang van de maag waar de veel zeldzamere tumoren een afgeplat en zwerend aspect vertonen? En waarom zweren daar waar er het minst zuur aanwezig is en niet op de bodem waar er het minst is? Als de maagzweer algemeen erkend is als een psychosomatische ziekte, waarom zou de stress zich beperken tot het kunnen uitlokken van een zwerend letsel (d.w.z. een substantievernietiging) terwijl een veel ernstiger letsel zoals maagkanker geen enkel verband heeft met een veel grotere stress? Zouden de cellen het middel gevonden hebben om zich op slag te beveiligen tegen een te belangrijke stress om zich slechts te laten storen binnen het nauwe kader van die enkele zogenaamde psychosomatische aandoeningen; en dus op een niet te ernstige manier en voor beperkte stress?

De borstkanker wordt steeds beschouwd als min of meer hormoonafhankelijk (d.w.z. dat hij kan bevorderd worden door de vrouwelijke hormonen), het bewijs ervan is dat de vrouw geen contraceptiva meer mag innemen en dat haar ingreep vaak wordt vervolledigd met een anti-hormonale substantie zoals tamoxifeen. Maar welke is dan de gelaakte hormonale invloed in borstkanker bij een vrouw die reeds tien of twintig jaren gemenopauzeerd is?

Waarom wordt de vrouw bedreigd met osteoporose bij de menopauze waar haar hormonenvermindering zou moeten gecompenseerd worden door een externe inbreng? En waarom loopt de man, die uiteraard over veel minder vrouwelijke hormonen beschikt, hetzelfde risico niet? Nu werd er niet vastgelegd dat de goede botdensiteit van de man afhing van zijn eigen mannelijke hormonen. Het is zelfs het tegenovergestelde wanneer “beendermetastasen” van zijn prostaatkanker worden gediagnosticeerd. Men stelt hem dan … vrouwelijke hormonen voor. Het is inderdaad zo dat de logica hier ligt in het vechten tegen de cellen van een kanker die eveneens als hormoonafhankelijk worden beoordeeld. Maar de feiten blijven storend : deze botmetastasen van de prostaatkanker uiten zich door ontkalkingfenomenen, door de vernietiging van botweefsel en testosteron biedt geen bescherming tegen deze letsels. Uiteindelijk blijft de basisvraag onbeantwoord: waarom dit verhoudingsverschil in beide geslachten tussen het gehalte aan hun respectievelijke hormonen en hun botpathologie?

 

BEHANDELING

Op het vlak van de behandeling kan men zich reeds de vraag stellen waarom twee personen die een aandoening vertonen met dezelfde intensiteit over een zeer variabele periode zullen dienen te worden behandeld. Bijvoorbeeld, waarom zal de ene cystitis voorbij zijn na één doos antibiotica, terwijl de andere er twee of vier zal nodig hebben omdat er zich telkens een herval voordoet na stopzetting van de behandeling? Of nog, die ene  lumbago zal voorbij zijn na één enkele zitting bij een osteopaat die, voor een andere lumbago een tiental manipulaties zal moeten uitvoeren verdeeld over vier of zes weken. Dit gaat in dezelfde richting als de vraag over de intensiteit van de aandoening in het algemeen. Een ander vraag daarentegen vereist een opheldering : hoe kunnen ziekten met hetzelfde succes behandeld worden door zo uiteenlopende methodes als geneesmiddelen uit de klassieke farmacopee, homeopathische middelen, acupunctuurnaalden, en zelfs magnetisme of een placebo? Zouden deze methodes iets gemeen hebben? Het antwoord hierop is uiterst belangrijk daar het grotendeels zou bijdragen tot de opheldering van het genezingsmechanisme.

BESMETTING

Het probleem van de besmetting door infectieziekten roept ook een heleboel vragen op waaronder wij er slechts enkele zullen aanhalen die relevant zijn om het tekort aan verklaring van het fenomeen aan te vullen.

Waarom wordt een zo banale aandoening als de verkoudheid beschreven als zijnde veel besmettelijker dan meer ernstige aandoeningen zoals bronchitis, hepatitis of tuberculose? En, om dit laatste voorbeeld te staven: men kan twintig jaren in een sanatorium werken waar men in een omgeving leeft die zeer rijk is aan tuberculosebacillen zonder aangetast te worden terwijl men tuberculosegevallen vindt in een omgeving waar men dit niet verwacht.

Wij hebben letterlijk miljarden kiemen in tal van onze organen en sommige, zoals de intestinale bacillen, zijn zelfs onontbeerlijk voor ons leven. Zo leven respectievelijk op onze huid, in onze keel en in onze urinewegen stafylokokken, streptokokken en collibacillen. Wanneer zich een infectie voordoet in één van die organen (furunkel, angina, cystitis, …) vinden we meestal diezelfde microben weer in een veel groter aantal; het zijn deze die moeten worden bestreden door middel van antibiotica en antiseptica. Waarom gaan die microben, die op een volledig normale manier deel uitmaken van onszelf, prolifereren en schadelijk worden? Ik stel hier wel duidelijk dat ik hier spreek over onze microben en niet over die heersend in verre oorden zoals Afrika en Azië.

Waarom worden al de personen die in contact zijn met besmette personen niet besmet? En, indien zij besmet zijn, waarom een dergelijk verschil in de omvang van de besmetting die zij gaan ontwikkelen?

Hoe is het mogelijk, bij een infectie beschouwd als zeer ernstig zoals AIDS, dat veelvuldige seksuele betrekkingen zonder enige bescherming verenigbaar zijn met een lot dat zo verschillend kan zijn voor elke partner : de ene zal overlijden aan AIDS, terwijl de andere zelfs niet eens seropositief zal worden?

Om de besmetting of de afwezigheid ervan te verklaren wordt er verwezen naar een zeer ingewikkeld verdedigingssysteem dat het onderwerp uitmaakt van vele studies. Het wordt immuun stelsel genoemd. Als dit immuun stelsel het afweersysteem is tegen de infectie, hoe kan men dan zo vreemde situaties bijwonen: bedlegerige patiënten of patiënten die zeer verzwakt zijn door een kanker in de eindfase of door een andere ernstige ziekte brengen maanden door zonder enige andere aandoening (bijvoorbeeld een hele winter) terwijl tijdens dezelfde periode personen, overigens in goede gezondheid, opeenvolgend twee angina’s, een verkoudheid en een traditionele griep ontwikkelen? In welke van beide groepen zou men het beste immuun stelsel verwachten?

Hoe dan het gewaagde experiment verklaren die Metchenikoff in Frankrijk en Pottenkoffer in Duitsland uitvoerden omstreeks 1900? Deze onderzoekers en hun team  hebben kiemculturen opgenomen van patiënten die aan cholera overleden. Men vond inderdaad zeer grote hoeveelheden van die kiemen (het trilwormpje van cholera) terug in hun feces, maar geen van hen ontwikkelde de ziekte !

Men kan het mysterie van de besmetting samenvatten in twee vragen : welke is de werkelijke verhouding tussen het immuun stelsel en de infectieuze ziekte? Bestaat er een betrouwbaar criterium om de realiteit – en niet een eenvoudig risico – van een eventuele besmetting te definiëren?

 

HET IMMUUN STELSEL

Daar het immuun stelsel beschreven wordt als ons verdedigingssysteem tegen de aloude microbische vijanden doen haar eigenschappen en haar behandelingen steeds weer vragen oprijzen.

De allergie wordt beschouwd als een ontregeling van dit systeem dat een overmaat aan substanties – zoals histamine, vanwaar het beroep op antihistaminica – met zich meebrengt die aan de oorsprong liggen van de meest verscheidene stoornissen. De biologische wijzigingen zijn goed beschreven, maar de vraag ligt elders. De dierenharen, voedingsmiddelen, pollen, huisstofmijt en andere verscheidene elementen zijn sinds eeuwen niet veranderd; zijn maken deel uit van de natuur en zijn onschadelijk voor de overgrote meerderheid onder ons. De allergie begint nu, en komt opnieuw voor, op een welbepaalde en persoonlijke periode in ons leven. De verandering kan dus zelfs aan onszelf liggen : wat heeft ons op een bepaalde dag allergisch gemaakt voor een dergelijk element?

En erger nog : waarom kan dit verdedigingssysteem zich op een dag tegen onze eigen organen keren en ze vernietigen? Dit is het uitgestrekte domein van de zogenaamde auto-immuunziekten, in volle expansie. Als dit erkend wordt als een ziekte van het immuun stelsel, welke is dan de oorsprong van deze ommekeer van de natuur die dus leidt tot zelfvernietiging? En waarom de zelfvernietiging van dit ene orgaan eerder dan van een ander?

Waarom is geen enkele inenting er ooit in geslaagd om de incidentie te doen afnemen van de ziekten waarvoor zij op punt werden gesteld? (Ik haalde deze inlichtingen uit de officiële curven van de WGO, maar eveneens uit de studie van deze curven vóór het begin van de inentingen).

 

RISICOFACTOREN EN STATISTIEKEN

Bij gebrek aan een precieze oorzaak voor de ziekte, gebruikt de geneeskunde vaak twee elementen die geen verklaringen zijn maar invloedselementen : het zijn de “risicofactoren” en de statistieken. Maar die twee elementen zijn op hun beurt bronnen van vragen. Wat het concept risicofactor betreft, nemen we het alom verspreide geval van borstkanker. Een vrouw waarvan bijvoorbeeld de moeder, de tante en één van haar zussen aangetast werden door deze tumor wordt beschouwd als een ernstig risicogeval. Hieruit volgt dan het voorschrift van herhaaldelijke onderzoekingen, de hieruit voortvloeiende onrust en zelfs, in de huidige gang van zaken, de anti-hormonale bestanddelen (zoals tamoxifeen) zuiver bij wijze van voorzorg. Maar de goede vraag is de volgende: welk criterium is geloofwaardig voor het risico daar deze vrouw, en haar andere zussen, niet noodzakelijkerwijze dezelfde kanker zullen ontwikkelen?

Wat het gebruik van de statistieken betreft is het geval van longkanker zo goed gekend dat men hem vaak de rokerskanker noemt. Welke ook de statistieken zijn waarvan men weet dat de interpretatie beslissend is, blijft de echte kwestie voor de patiënt te weten volgens welk criterium hij zich in de 60 of 70 % risicogevallen zal bevinden – en in dit geval betekent dit voor hem 100 % - of in de 40 of 30 % die eraan ontsnappen, wat dan in de feiten neerkomt op 0 %. Of, de vraag anders gesteld : waarom zoveel gevallen van longkanker bij de niet-rokers en zoveel rokers die deze kanker nooit zullen ontwikkelen? Aan de hand van een zorgvuldige verklaring van de ziekte zullen we zien dat alle gevallen van borst- of longkanker respectievelijk hun eigen ontketenende factor hebben, en dit welke ook de familiale antecedenten of de rookgewoonten mogen zijn.

 

EPIDEMIOLOGIE

De epidemiologie bestudeert de verschillende factoren die tussenkomen in het ontstaan van de ziekten : de leeftijdsgroepen, de geografische verdeling, de socio-economische omstandigheden, etc… Maar deze vaststellingen zijn hoofdzakelijk van een statistische aard en geven geen verklaring voor de aangehaalde waarnemingen.

Waarom is er in onze westerse gemeenschap een dergelijke stijging van het aantal borstkankers terwijl die van de baarmoederhals vermindert? Wat AIDS betreft : waarom vindt men zo een uiterst gering percentage aan besmette (para)medici die de ziekte later ontwikkelen? Binnen de grote verscheidenheid aan symptomen toegeschreven aan deze ziekte, waarom de zo verschillende overweging van deze symptomen volgens de regio’s van de aardbol, de “risicogroepen” en de levenswijzen?

De epidemiologie leidt enkel tot het stellen van de concrete vragen : waarom deze overheersende pathologie in die leeftijdsgroep; waarom een grotere frequentie in die regio’s, etc…?

 

SYNTHESE EN BESLUITEN

Men zou de “waarom” lijst (hoeveel heeft u er tot nu toe reeds geteld?) kunnen verlengen a rato van alle gezondheidsproblemen. Men zou alle ziekten in vraag kunnen stellen, vertrekkend van een verkoudheid, een tendinitis of een aambei tot de ernstigste gevallen van gemetastaseerde kankers of de zeer invaliderende multipele sclerose over psoriasis, polyarthritis, astma, diabetes, hartinfarct … of grootheidswaanzin. Men zou de coherentie en de basis van al deze theorieën, hypothesen, risicofactoren en andere zorgvuldig kunnen nagaan. Maar men zou alleen maar komen tot een boek vol met vragen terwijl het opzet van dit klein werk er juist in bestaat de basis te leggen voor een werktuig dat toelaat een antwoord te brengen.

De verklaring is belangrijk en de patiënten wensen deze te krijgen. Een goedaardige aandoening schept reeds – naast de symptomen – een onbehaaglijk gevoel : waarom heeft men de verkoudheid of de griep “gekregen” van die persoon terwijl die andere personen die hem eveneens bezochten die niet kregen? Waarom nu terwijl men veel vermoeider was enkele maanden geleden? Hoe lang gaat die reuma duren die men belooft te genezen maar over de termijn waarvan men zich niet kan uitspreken? Bij dramatische diagnosen komt de angst zich vaak nog bij de behandeling voegen. Men had al genoeg geleden enkele jaren terug door die kanker waarvoor men een pijnlijke behandeling moest verduren. En worden er elders nog metastasen ontdekt. Waarvoor diende dit alles wat men verduurde als alles herbegint en verergert? En niemand kan zeggen of die tijdbom later niet nog eens zal toeslaan.

De oorsprong van de ziekte, de aard en de evolutie van zijn uitingen begrijpen laat de patiënten toe hun aandoening beter aan te pakken en te beheren. De ziekte gaat daarom niet verdwijnen, maar de nood om een zin te vinden voor wat men meemaakt in die periode van fysisch lijden is even broodnodig, indien zelfs niet meer, als dit bestendig zoeken naar een zin, wat een algemene menselijke eigenschap is. Wij zullen zien dat het begrijpen van de ziekte haar fataliteit kan vervangen door een werk op het verloop ervan, wat de troeven en de hoop aanzienlijk verhogen ten opzichte van wat slechts een noodlottig toeval bleek te zijn.

Laten wij toch nederig blijven : het verklarend systeem dat hier wordt ontwikkeld zal een degelijk antwoord geven op al de vragen van deze inleiding, maar het is geen uitgewijd antwoord op het probleem van het lijden en de dood. Dit “onderzoek” – zoals de andere grote vragen van het leven (de klassiekers “wat zijn wij?”; “waar komen wij vandaan?”, “waar gaan we naartoe?”, “welke vrije wil?”, etc…) – stijgt ver uit boven het kader van onze uiteenzetting die geen filosofische, noch een metafysische verhandeling is. Ons doel zal bereikt zijn als de lezer hier alle hulp krijgt die alle vrijwarende informatie verstrekt.