|
HISTORIE VAN BROER CORNELIS ADRIAENSEN VAN DORDRECHT (1569)
[2]
Tekstuitgave door Johanna Fenyn en Dirk Smout
Samenvatting van de voorgaande aflevering
Halverwege februari 1566 is Broer Cornelis naar Brugge
teruggekeerd, na een driejarige ballingschap in het
minderbroedersklooster te Ieper. Daarmee negeerde hij het
verbod van zijn overste. Uit rancune tegen de stadsregering
vanwege het in 1563 begonnen gerechtelijk vooronderzoek naar
de geselaffaire begon Broer Cornelis de magistraat van Brugge
vanaf de kansel de oren te wassen. Van nu af aan zal hij de
stadsregeerders vrijwel dagelijks over de hekel halen vanwege
hun verzet tegen de inquisitie.
Het preken begint op 24 februari. Zijn stelling luidt die dag
dat de inquisitie absoluut noodzakelijk is om de besluiten
van het Concilie van Trente te kunnen uitvoeren en om alle
ketters te kunnen verdelgen of tot onderwerping te dwingen.
Filips II heeft in oktober 1565 uit Spanje laten weten dat
men stadsregeerders die weigeren de doodstraf op ketters toe
te passen, moet afzetten en vervangen door goede katholieken
die met genoegen ketters zullen terechtstellen.
Op 3 maart, de eerste zondag van de Vasten, preekt Broer
Cornelis tegen die stadsambtenaren die in Frankrijk hebben
gestudeerd en aldaar de leer van Calvijn als moedermelk
hebben opgezogen, om hun ontslag te bewerkstelligen.
Op 12 maart wijst hij op lekken binnen de stadsregering
waardoor bepaalde ketters worden gewaarschuwd die zo hun
gerechte straf weten te ontlopen.
Op 27 maart hekelt hij het verzet van de stadsregering tegen
een dwangmaatregel van de bisschop in verband met de
paasbiecht.
Op 12 april, Goede Vrijdag, wijst hij er in verband met het
lijdensverhaal op dat er altijd wetten hebben bestaan die de
ketterij met de dood straften. Hekelt het smeekschrift der
edelen tegen de inquisitie en de plakkaten dat acht dagen
terug aan de landvoogdes is aangeboden. Tirade ook tegen de
Duitse (lees: Lutherse) achtergrond van deze edelen.
Op 21 april, de eerste zondag na Pasen, hekelt hij de Staten
van Vlaanderen in verband met hun rekesten aan de
landvoogdes, die twee of drie dagen geleden in druk zijn
verschenen. In deze rekesten, aangeboden ongeveer tegelijk
met het smeekschrift der edelen, werd bezwaar gemaakt tegen
de inquisitie en andere plakkaten betreffende de
ketterijbestrijding. Volgens Broer Cornelis stammen de
rekesten vooral uit de koker van de Brugse stadsregering die
de drie andere leden van de Staten van Vlaanderen onder druk
heeft gezet om mee te ondertekenen. Als een oudtestamentisch
profeet voorspelt hij de stadsregering vanwege die rekesten
de wraak Gods en een ellendig einde.
[VERVOLG VAN DE SERMOONEN]
Den .12. dach in Mey, naer dat B. Cornelis tot hier toe in
alle zijn sermoonen opde Magistraten ende gheconfedereerde
Edelen seer veel yselicke ende gruwelcke vileynicheden,
blamatien, injurien, ende leelickheden, met scheldingen ende
stampyingen uutghespoghen hadde, so schandelick, ende so
onbeleefdelick, als hy versieren of bedincken mochte, seyde
hy: Ou, en beyd, dit gemeene gespuys moet ooc eens wat
hebben! Ba, dat moet ick oock eens te keer ghaen, sien ick
wel. Ba fy, deur dien dat het gemeen volcxken van Antwerpen
hebben liggen roepen, als dien Brederode (die de roervinck
van alle de Guesen is, soo ick verstaen) weder met zijn
Guesen [43r] deur Antwerpen naer huys trock: Vive le
Gues! Vive le Gues!, min noch meer dan of sij uutsinnich,
rasende dul, besict en beseten gheweest hadden, daeromme
moetmen nu alle dese Nederlanden deur aldus byster ligghen
brijsschen ende roepen: Vive le Gues! Vive le Gues! Ba besiet
doch eens met wat maledictien ende evelen dat dit volc nu
besmet is. Ba, Jesus, y wat een dullicheyt ende betoovertheyt
dat dit volc doch nu over gaet: rijck en arm, Edel en onedel,
jonck en out, vrouwen en mans! Ba, waer dat nu yewers een
maeltijt is, men moeter uut een houten schuetel drincken,
ende roepen dat bynaest de kele schuert: Vive le Gues! Vive
le Gues! Ba, Godt gheve dat den dranck, tsy wijn of bier,
veranderen moet in vuyl walghelick schuetelwater, ja, in
vileyn abominable stinckende zeepsop, daer de bekacte of
bescheten hemden ende slaeplaken in ghewasschen zijn, dat so
moet!
Ba fy, en dat my noch tmeest verwondert en het spytichste van
alle is, dat sommige degelicke oude mannen ooc mede roepen:
Vive le Gues!, ende willen ooc noch al even wel Catholick
schijnen te syne. Ba, fy, fy! Nu laet ghylieden het sotken
doch teenigaer uut den mouwe kijcken! Ba fy, schaemt u! Ou,
ist nu al mer een gheckswerck geworden? Ja, sijt ghy
Catholicken? Ba, ghy sijt dat ick niet segghen en wil. Dan
comense noch: Kie, Pater Corneli, sijt te vreden ten is maer
[43v] uut vrolicheyt, alsmen den wijn int hooft heeft
soo roeptmen mede, ende is met [lees: men] ghenoechelick en
blijde gelijck andere. Ja, ist waer? Ten is maer vrolicheyt
en blijtschap, en ist oock? Ba loopt en beschijt u! Ba, wat
segdy my hieraf? Ba, dat weet ick en dat hoore ick selven
wel, dat u vermaledijde Vive le Gues roepen, maer uut inckel
vrolickheyt ende uut blijtschap en is, om dat ghy het
Catholicke geloove, ende ons met de Catholicke Religie moede
sijt. En anders en ist ooc niet met u duvels helsche Vive le
Gues roepen. Ba, siet waer met dat wij doch ghequelt en
gheplaecht moeten zijn!
Int laetste van Mey begonstmen een gheruchte te hooren, hoe
dat het volck in Westvlaenderen ten diverschen plaetsen by
nachten int velt, in bosschen, tusschen de bergen, ende inde
duynen, met groote hoopen van veel dusenden vergaderden, daer
die Ministers oft Predicanten der Calvinisten begonsten te
prediken, daer men Psalmen beghonst te singhen, ende ghebeden
te doen.
Den 4. Junii, oft den derden Sinxendach, hadde B. Cornelis
dit gheruchte oock ghehoort, daerom wast met hem wederom van
nieus te tieren, te schremen, te brijsschen, te roepen, ende
te crijsschen: ba, goeliens, siet doch eens wat datter nu af
beghint te commen! Ba, nu beghinnen de sectarisen, de
heretyken, of ketters, heur hoofden uut de asschen te heffen!
Sij beghinnen heurlieden te [44r] ontduycken. Ba,
hoort hoe sij nu beghinnen by nachten in bosschen, haghen,
velden, tusschen bergen, in de duynen, en elders openbaerlick
met veel dusenden te vergaderen, te preken, ende te singen?
Ba, Godt bescherme ons en zijn gebenedijde Moeder! Ba, wat
wil dit doch werden? Ou, ba, nu hebben wij het spel op den
wagen.
Maer, goeliens, heb ickt niet wel geseyt? Heb ict niet wel
gheprophetiert? Ba, ic wiste wel sekerlick datter dit af
commen soude, deur dese jente Requesten over te gheven. Ba,
ist nu niet wel gerequest? Wai ghy Magistraten, ghy moechter
nu wel moy met wesen, met u jente Requesten! Ba, tfy, tfy,
besiet doch nu selven eens, waer ghy u lieden mede gemoeyt
hebt! Jesus, och in wat verdriet, jammer, en ellende dat ons
dese onvoorsienige Magistraten gebrocht hebben! Ba, goeliens,
siet doch hoe slecht datse nu al ghaen siende. Ba, nu sien
sij op elckandere ghelijck pissebedden. Ba, nu druypense of
nu sluypense deur met een beschaemt aensichte, ja, sonder
elckanderen nauwelicx eens te grueten. Het is nu maer
simpelick te segghen Bona dies. Ick ghelooft seer wel!
Want het comter nu met uwe Magistraten al bekact ende al
bescheten uut, dattet so doet.
Int eerste van Junius begonsten de Calvinisten openbaerlick
by daghe te prediken deur geheel Westvlaenderen, het welcke
een groote verbaestheyt int volck maeckte, by- [44v]
sonder in de gheestelickheyt. Daerom ghelijck de Calvinisten
heurlieder predicatien daghelicx so langher so meer over de
Nederlanden uutspreeden, aleveneens nam het yselick,
gruwelick, ende afgrijselick ghetier of gebaer van b.
Cornelis daghelicx so lancx so meer oock toe. Ten waer niet
moghelick te beschrijven die dulle oft uutsinnige manieren
diemen aen hem sach, ende de gruwelicke of schruemelicke
woorden diemen van hem hoorde.
Maer tot het selfde eenighe bequame materie te hebben daer
toe dienende, so hem dochte, ende so hy seyde, begonst hy den
Psalter Davids te prediken, telcken int beghinsel van zijn
sermoon een veerseken uutlegghende. Ende als hy naer den text
die historie gheseyt hadde, so viel hy op die
Tropologia, of leeringe der deuchden (daer hy nochtans
lettel af seyde) maer staende op die Allegoria,
twelcke is een ander sin dan de woorden luyden, te weten: dat
David prophetierde ende sprack uut den name van de Kercke,
ende bysonder op den jammerlicken staet daer de Kercke nu in
is. Van alsulcken veerseken dan uut te legghen maecte B.
Cornelis zijn gheheel sermoon, waer uut dat dan alle dese
wonderlicke, gruwelicke, walghelicke, ende verschrickelicke
propoosten vloeyden, want daer uut conste hy al voorbringhen
of uutlegghen dat hy wilde; ghelijck een Coppespinnighe uut
een suvere blomme haer fenijn wel can [45r] of weet te
suygen. Ende als hy dan sulck veerseken met alle
schandelickheyt, oneerbaerheyt, vileynicheyt, beroerlickheyt,
impatienticheyt, ende dullicheyt, of gramschap, uutgheleyt
hadde, so seyde hy oock naermaels noch seer dickwils in zijn
sermoonen: ba, laet die Calvinisten die ketters daer buyten
alsoo de Psalmen eens uut leggen! Ba, dat is de Psalmen
uutgheleyt, dat so is!
Den .16. Junii, als B. Cornelis in den eersten Psalm Davids
besich was met uut te legghen: Salich is die man, die niet
en comt inden raet der Goddeloosen, seyde hy: Ba, dit
comt my rechts te passe om uut te leggen op dien raet die de
vier Leden of Staten van Vlaenderen tsamen gehouden hebben om
die Requesten over te gheven tegen die helige Inquisitie en
tegen die helighe Placaten. Och ghy Magistraet van Brugghe,
siet ghy nu wel wat uut u lieder goddeloosen raet ghecomen
is? Want ghy sijt oorsake met uwen goddeloosen raet dat die
vermaledijde requesten overgegeven zijn tegen die helige
Inquisitie, ende tegen die helighe Placaten. Ba, hoort hoe
men nu alomme deur geheel Vlaenderen die duvelsche
Calvinisterie openbaerlic preect! Ou, ba, het blijct emmers
nu wel wat groot verdoemelick quaet, dat ghy ghecorrumpeerde,
ghy versworen, ghy veretterde, ghy vuyl stinckende ende
verdorven Let van Brugghe bedreven of gedaen hebt! Mits dien
dat ghy [45v] deur uwen boosen raet die drij andere
Leden des lants van Vlaenderen, Ghendt, Ypren, ende die
vanden Vrijen, (dewelcke noch tot dier tijt toe seer goet,
gans, gave ende onverdorven gheweest waren) opgeroeyt,
aengehitst, aengetitst hebt, tegens die helighe Inquisitie,
ende tegens die helighe Placaten. Ende dat niewers anders
omme, dan uut een wrake, uut een haet, uut een heck, uut
neck, ende uut een eygen particuliere invidie of viantschap,
die ghy Magistraetken van Brugge opgesogen of ingheswolgen
hadt tegen dien helighen Inquisiteur, dien heligen man. Maer
en beyd! Gods rechtverdige oordeel sal ooc noch wrake tegens
u lieden nemen met die eewighe maledictie of verdoemenisse,
deur dat eewige helsche vier. Wee u! Wee u! Tfy ghy
Magistraten, dat ghy u lieden aldus tegens Godt, tegens onsen
helighen Vader de Paus, tegens ons moeder de helige Kercke,
tegens ons Catholick Kersten gheloove ende religie, ende
tegens die helige Placaten stelt! Nu wel, ten sal niet
ongewroken blijven, dat versekere ic u lieder: het sal u hier
te etter ende te bloede uut sweren, ende ghy en sult dies
hier naermaels niet te min in peck, terre, ende sulphur
branden, dat ghy so sult!
Den .24. Junii leyde B. Cornelis noch een veerseken vanden
eersten Psalm uut, te wetene: Maer de ghene diens lust
ende ghenoechte in die gheboden of wet des Heeren is, die
sal [46r] zijn gheboden overdencken dach ende
nacht. Ba, goeliens, seyde B. Cornelis, hebdy wel hooren
segghen, hoe de Guesen ende de Guesinnen Gods wet of gheboden
ghedencken dach ende nacht? Ou, ba, nu en ben ick in dese
nachtvergaderingen ende nachtdevotien niet met allen meer
verwondert. Ba, goeliens, siet wat datter doch af gecommen is
van dese nachtpredicatien: ba, die jonghe dochters,
jonckwijfs, of maerten, ende ander maechdekins, diemen aldus
heeft by nachten laten loopen hooren de Calvinisten preken,
ba, den meesten deel gaen alreede met groote buycken! Ja, ja,
ist nu niet wel ghepreect, dat mijn dochterkens nu met den
buyck vol beenderen, of vol jonghe Guesekins of Guesinnekins
te huys commen? Ba, tfy vuyle mocken! Tfy heete teven! Ba,
ist seker daeromme dat ghy soo gheerne ter predicatien loopt
onder die Calvinisten? Ja, ba so en ghevet my gheen wonder,
isser dat te halen!
Den .29. Junii, naer dat b. Cornelis synen theem uut den
eersten Psalm voleyndet hadde, seyde hy: ba, so siet, het sal
nu over al teenigaer uut bersten! Ba, daer is nu in dien
helschen poel van Antwerpen ooc de duvel met zijn moeder uut
gelaten om buyten te loopen preken met dusenden! Ba, so vrij
als gesellen. Ba, dit zijn Calvinisten! Ou, ja waer om niet?
Ba, waerom souden sijt doch laten? Want de Placaten zijn
opgheschorst, ende de Inquisitie [46v] is afgestelt,
ende de Moderatie en wilt niemant aenveerden. Ba, ja dat meer
is: sij zijn alle drij aen een galge gehangen! Ja, sij vagen
nu heur schijtgat wel eens aent Placaet, aen de Inquisitie
ende aen de Moderatie. Jesus, ba God behoede ons!
Ba, ic sien nu wel dit preken sal moeten over al gaen, het
sal alomme in roeren ende in troubbel gestelt moeten zijn, of
ten soude anders gheen volmaecte Gueserie wesen. Ba, het waer
groot jammer datter yewers een stat in dese Nederlanden
ongheguest bleve, neen, het moet alomme Vive le Gues zijn.
Maer en beyd! En beyd! Laetse heurlieder vrij alomme openbaer
ende bekent maken. Ba, dan sullen sij varen gelijck ick daer
in mynen theem uut den Psalm Davids geseyt hebbe, te weten:
dat die Goddeloose sullen verstuyven ghelijck het stof ende
het caf voor de wint gedreven wert. Ist met gheen Inquisitie,
noch Placaten, noch Moderatie, so salt deur Gods hant
geschieden, diese alle plagen, schenden, ende bryselen sal,
hier op deser eerden, ende hier naermaels met het eeuwighe
helsche vier. Laetse dan nu vrij preken datse bersten,
vermaledijde Calvinisten of Guesen, als sij zijn!
Den .2. dach Julii, als b. Cornelis het leste veerseken
vanden eersten Psalm uut leyde, te weten: Den wech der
Goddeloosen sal vergaen, ende niet moghen ghedueren. So
seyde hy: Ba, ick soude dese goddeloose rabbauwen,
[47r] dese nieuwe haechpredicanten wel eens willen
sien ende spreken, eer datse wederom in heurlieder nest
gedreven werden, daerse eerlanck wederom sullen moeten
incruypen: Ba, mocht icker doch eens by gheraken, ick
versekere u, dat ickse so te keer soude gaen, ja, ick soudese
so schandelicke, so smaddelicke, en so vileynlicke overgaen,
datse heurlieder in heur eersgat schamen souden. Ba, ick en
soude byloo gheen schrifture allegeren, noch by bringen! Ba,
het souder al boven schrifture gaen! Want ick verstae, indien
dat mense met schrifture wilt wederstaen, so heeftmen se
eerst recht op synen hals: want sij en soecken anders niet
dan dat wij schrifture souden roeren, om datse ons
uutsinnnich rasende dul souden maken, mits datse de
schriftuere op heur duymken weten te drayen, te wenden ende
te keeren, naer heur valsche opinien, also sij selfs willen.
Daerom zijnse my te sot diese met schriftuere meenen te
verwinnen. Ba, neen, al veel beter heurlieder wel leelick te
verwijten, datse Schoelappers, Wevers, volders, fylten,
schudden, blijters, deuchnieten, ende snoo arge boose
meutemakers, ende quade valsche sedicieuse rabbauwen zijn.
Ba, ick soudese terstont vragen, wat myraclen of wondere
teeckenen datse consten doen, daer by datse betoochden datse
van Godt gesonden waren, om een nieu gheloove te preken! Ba,
ick soudese verwijten dat heurlieder myra- [47v] clen
zijn, van jonge maechdekens hoerkens te maken en van gehuwede
vrouwen overspeligen te maken. Ba, hier mede soude ickse te
keer gaen ende my wel cloeckelick houden. Neen, ick en soude
my (al segge icket selven) mijn pottagie of mijn caes en
broot niet laten nemen, want daer ben ic mans genoech toe.
Ick meen metter tongen, so ghy hoort. Ba, ick en wil byloo
niet vechten.
Want daer mede soude ick varen ghelijck mijn Heer de
Procureur Generaal eergister buyten Gent gevaren is. Eylacen,
de goede man wilde daer die Guesen predicatie met gewelde
verstooren ende destrueren, die daer nu oock begonnen is,
Godt sijts gheclaecht. Maer die ketters, of baerlicke duvels,
hadden heurlieder soo vreesselick met steenen ende met cluten
te werpen, dat hijt met alle de Baillius en Meyers of
Drossarden (die hem met heurlieder dienaers te hulpen
ghecomen waren) verloopen moste. Maer, goeliens, ou, ba, is
dat niet een groote schande en cleenicheyt voor so machtigen
Coninck van Spanien, dat zijn Officiers moeten vluchten ende
de hielen toogen voor sulcke armen cannaille, rapalie,
huttegetut, rijfken rafken, haxken paxken, en sulcke beroyde
povere jacht en gespuys?
Ba, siet doch wat een maledictie dat die bescheten requesten
over dese Catholijcke Nederlanden gebrocht hebben. Ba, Jesus,
wie soude doch oyt eens gelooft oft ghemeent hebben, dat noch
sulc- [48r] ken farce in dese Catholicke landen
geschien soude? Ba, ghedinckt dat icket geseyt hebbe: dit
spel en is noch niet ghedaen! Het sal noch een wonderlick
eynde nemen en wij mochtender noch wel al gelijck ons hooft
om crauwen, dat wij soo mochten, want ick duchte datse ons
noch naerder commen sullen.
Den 7. dach Julii was b. Cornelis noch besich met het leste
verseken inden eersten Psalm Davids uut te leggen, te weten:
Den wech der Goddeloosen sal vergaen, en niet mogen
gedueren. Want dese uutlegghinge sleepte hy wat lange om
met veel exempelen te betooghen dat alle heresien of secten
voortijts vergaen zijn, ende niet en hebben mogen ghedueren.
In dit sermoon seyde b. Cornelis: Ba, nu hebben dese
vermaledijde Calvinisten oock te Tielt, te Haeltere, ende te
Eeckeloo ghepreect. Ba, God behoede ons en zijn gebenedijde
Moeder! Ou, ba, dese landen zijn vol van dese verdoemde
ketters. Jesus, in wat een maledictie zijn de helige
Catholicke Nederlanden nu gherocht! Ba, goeliens, ou, ick
wiste wel datse ons noch al naerder souden commen. Ba, ick
setter mynen hals onder datse ons noch hier te Brugge voor
onse poorten sullen commen preken, wilmen hier anders niet in
voorsien, noch toe doen. Ba, het is emmers int Bisschopdom
van Brugghe, en maer vijf mylen van hier. Ja, lieve Heer,
Jesus Maria, dat hier anders niet te- [48v] ghens
gedaen en wert! Ou, ba, wij zijn alle ghelijck betoovert,
also waer als God.
Kie, Pater Corneli, segghen de sommighe, sij en doen nieuwers
doch gheen quaet: sij en preken maer. Ja, ist waer? Ba, dat
en is gheen quaet gedaen, en ist oock? Ba, datse alomme alle
de landen deur heurlieder vermaledijde ketterien ende duvels
gheloof leeren ende verbreeden, ende tvolc met hondert dusent
milioenen in de eeuwige verdoemenisse leyden: ou, dat en is
noch al gheen quaet ghedaen met u lieder! Ba, en ist oock?
Ba, een stront in u kinnebacken! Ba, wat segdy my hier af?
Ja, dat en soude gheen quaet ghedaen zijn? Ba, ten is uws
moyers hemde.Ba, loopt en beschijt u! Ba, siet doch hier
eens, ba, neen!
En beyd, en beyd: ghy sult corts wel wat anders hooren en
sien. Ou, daer sal een Placaet teghen dese verdoemde
Calvinisten uut commen. Ba, ghy sult wel hooren oft de
Coninck alsoo verstaet datse gheen quaet en doen. Ba,
heurlieder Ministers of Predicanten zijn al ghecondamneert of
veroordeelt gehangen ende metter coorde of strop verwurcht te
werden aen een galge. ende de ghene die eenen can vanghen of
in handen van Justitie leveren, sal ses hondert gulden hebben
ende alle de ghene die dese duvelsche nieuwe predicatien
aldus loopen hooren, die sullen al uut ghegheesselt ende uut
gebannen werden: verstady dat wel? Ba, wat dunct u dan
[49r] noch, datse gheen quaet en doen? Ba, waer
vintmen ter werelt argher, snooder, of booser ketters dan
dese vervloecte Calvinisten? Het zijn al sacramentarisen! Ba,
daeromme swijcht ghy lieder, en hout u backhuys, en beschijt
u, want ghy en weet niet wat ghy al clapt en snapt. Ba so
siet.
Den .13. Julii wert te Brugghe het Placaet daer b. Cornelis
int voorgaende sermoon mentie van maect, ghepubliceert.
Daerom seyde b. Cornelis den .14. dach Julii in zijn sermoon:
Ba, wiste ick niet wel dattet met dese vermaledijde
Calvinisten niet lang ghedueren en soude? Ba, goeliens, wat
segt ghy nu van dat Placaet datter ghister teghen dese
rabbauwen dese Ministers of haechpredicanten ende tegen dese
betooverde Calvinisten ghepubliceert is? Te recht heeft de
Conincklicke Propheet David int leste van zijn eerste Psalm
van heurlieder gheprophetiert, te weten: Den wech der
Goddeloosen sal vergaen, en niet mogen geduren. Daerom
goeliens, hebbe ick op dit veerseken wat langhe blijven
staen. Want dat is al den troost ende hope die wij
Catholycken hebben als dat wij dese dullicheyt, foule, ende
raserie noch al deurcommen sullen, gelijck de Catholijcken in
de tijt vande boose Ketters, die Arrianen, (daer dese arghe
snoo Calvinisten rechts by te ghelijcken zijn) oock int leste
noch alle die tyrannie, wreetheyt ende afgrijselickheit, deur
[49v] quamen.
Hier naer ghinc hy die historie der Calvinisten vergelijcken
met die historie der Arrianen, ende verhaelde al int langhe
uut een boecxken (dat hy seyde ghelesen te hebben) van de
Kercken destructie of destrueringe in Vranckrijcke deur de
Calvinisten gheschiet, daer hy veel gruwelickheyt, tyrannie,
wreetheyt, en afgryselickheyt onder menghelde, die wonderlick
inder liens ooren luyden. Want het was al hoe die Hugenosen
de Priesters, Papen, Monicken, Nonnen en Baghijnen, met
scruemelicke, yselicke tormenten gemartyriseert en ter doot
ghebrocht hadden. Ende om te betoogen (seyde hy) dat sulcke
tyrannie van de Ketters tegen de Catholijcke niet nieus en
is, sal ick u lieder verhalen hoe tyrannichlick dat die
Arrianen de Catholijcken voortijts in Alexandrien
gemartyriseert hebben. Naer dat hy sulcx verhaelt hadde,
seyde hy, gelijck die secte der Arrianen dan geheel
Karstenrijc tot heurlieder ketterie gebrocht hadden
(uutghenomen dien heligen Athanasius, Bisschop van
Alexandrien, ende noch een oft twee Bisschoppen) ende
nochtans wel geheel en teenegaer in die tijt uutgeroeyt is
geworden, also sal oock dese vermaledijde Calvinische
ketterie in onsen bedroefden onsalighen tijt wel gansschelick
in den gronde met die wortele uutgeroeyt connen werden, datse
soo sal.
Want onsen Coninck en wilt niet eens van eenige Moderatie op
de Placaten [50r] hooren spreken: hij wilt plat uut
dat zijns vaders Keyser Caroli Quinti Placaten tegen de
Ketters ghemaect, ende die hij naer zijns vaders doot selve
oock geconfirmeert heeft, in cracht ende in wesen blijven
sullen, ende dat mense wel stranghelick en riguerlick
onderhouden sal onghemoderiert, want daer en is gheen
moderieren aen. Ba, ick kacke in de Moderatie! Ick schijte
inde Moderatie! Ba, ick vaghe mijn poorte aende Moderatie!
Ja, mijn vuyl bescheten eersgat vaghe ick wel eens aende
Moderatie! Ba soo siet! Al deur wech aen een galge met dese
vervloecte Calvinisten, en met heurlieder verdoemde
haech-predicanten! Ba, hangh op, hangh op al! Ba, dit Placaet
en is noch niet dan te veel seer ghemoderiert. Ou, men
plochtse al levende aen eenen staeck te verbernen. Ba nu en
ist maer te hanghen. Ou, ba, wij Catholijcken bedervent al
met onse goetheyt, met onse compassie, met onse misericordie,
ende slackicheyt, dat wij soo doen.
Den .21. Julii beghonst B. Cornelis het eerste deel vanden
tweeden Psalm Davids voor zijn teem uut te leggen, te wetene:
Waeromme grimmen ende rasen de Heydenen aldus, ende wat
port den volcke te spreken alsulcke onnutte murmuratien? Die
Coningen der aerden ende de Princen werden oproerich, ende
die Guberneurs maken met malcanderen een verbont, om te
strijden tegen den Heere, ende sijnen gesalfden.
[50v] Och, goeliens, goeliens,seyde b. Cornelis, hoort
doch hoe merckelick dese Prophetie Davids accordiert op dese
gruwelicke onnutte murmuratien der Guesen, of Calvinisten
ende op dese vreesselicke gheruchten ende nieumaren diemen nu
van alle canten hoort. B. Cornelis stack of hief beede armen
om hooge tierende: Broul, ba, ha ha ha ha! Nu zijnse al omme
en tom inde wapenen, want nu het placaet vanden derden Julii
tegen de duvelsche Ministers of haechpredicanten alomme
gepubliciert is, ba nu nemen de Calvinisten alomme daer sij
preken de wapenen aen om heurlieder Predicanten met ghewelde,
met cracht en macht te beschermen.
Hoort hoe sij Tantwerpen nu telcken naer de predicatie ses of
seven hondert pistoletten af schieten, dierghelijcken oock te
Ghent, te Yperen, te Oudenaerden, te Doornick, te Valenchien,
ende al om en tom. Ba, Jesus, sij quamen te vooren oock wel
ghestockt en ghestaect ter predicatien, maer het gaet doch nu
te veel bijster over hoop. Ou, en bey, salmense dus al laten
gheworden ende al laten doen datse willen? Ba, ghij
Catholijcken, wat seghter ghijlieder doch nu toe? Maer
goeliens, hier is nu noch wel een ander wonder te hooren: Ba,
de Herdoopers, die daer in Zeelant ooc sommighe openbare
predicatien ghepreect hebben, ba, nu sij sien datmender niet
toe en doet, nu beghinnense ghinder in Westvlaen-
[51r] deren oock openbaerlick te preken met groote
vervaerlicke hoopen. Jesus, Jesus, Jesus, wat een maledictie
hebben dese vervloecte, bescheten, luysige requesten tegen de
helige Inquisitie en Placaten, over dese Nederlanden
gebrocht. Ba, en daer buyten Antwerpen opt Kiel, en daer te
Breda in Brabant, en hier in Vlaenderen te Honscoten
beghinnen de Lutherianen of Martinisten of Confessionisten nu
oock openbaerlick te preken. Ou, ba, het comt nu aen alle
canten al teffens en teenigaer of teenimael uut. Ba, het
ontdect hem nu al datter tot nu toe in een hol ghedoken heeft
ghelegen. Ja, wat dusent duvelen souder doch noch connen uut
gecomen? Ba so siet.
Ba splijt het helige Kersten Catholijcke gheloove in hondert
dusent sticken en rupter elc een deel af. Ba dau, ou, en heb
ic niet wel gheseyt, datter dit al af comen soude? Ben ic
noch al een meutmakerken ende een leughenaerken? Ba, en ist
noch al wel gherequest? Ist noch al wel geliberteyt? Ba, daer
sou de baerlicke duvel vander hellen met spelen. Daer wast te
roepen met luyder kelen: Waeromme grimmen en rasen dese
heydenen, dese goddeloose Guesen, dese verdoemde Calvinisten,
dese wreede tyrannige Hugenosen aldus? Waeromme rasen en
murmureren dese vermaledijde Herdoopers aldus? Waeromme rasen
dese vervloecte Lutherianen of Martinisten of Confessionisten
aldus? Daer ghinck hij [51v] met sijnen theem uut te
legghen voort.
Dierghelijcke dede hij oock tsachternoens op het selfde
veerseken: Waeromme rasen de Heydenen aldus?
Den .22. dach Julii was B. Cornelis theem wederom:
Waeromme grimmen en rasen de Heydenen aldus? ende wat port
den volcke te spreken alsulcke onnutte murmuratien? Ba,
goeliens, seyde hij, ick heb u ghistere staen seggen, dat de
Herdoopers hier in Vlaenderen oock beghinnen openbaerlick te
preken. Ou, ba, dat en is noch niet ghenoech. Ba, daer
schuylt noch wat wonderlickers! Ba, wij en hebbent noch niet
al. Ou, daer is ghisteravont een goet vrient bij mij geweest,
die mij heeft commen seggen, dat de Adamyten, en noch een
seer wonderlicke secte die men heet het Huys der liefden, ooc
alomme int heymelick beghinnen te preken. Ba, nu is doch de
duvel met sij moier eerst te recht uut gelaten! Ba, ou, en
souder noch wel yet meer connen of mogen uut gecommen, meer
dan wij nu hebben? Ba, daer soude meer dan eenen duvel met
spelen, Ja lieve Heere, en men seyt dat van dese twee secten
gansch Hollant, Vrieslant, en Ghelderlant vol af is ende
datter in Brabant, in Zeelant, en hier in Vlaenderen niet
luttel en zijn.
Daer verfyde hij die Magistraten, mits ter sijden in sijnen
predickstoel neffens hem uutspughende. Fy, aie! Fy
Magistraten! Fy Staten van Vlaenderen! Fy u ghij vier Leden
van Vlaenderen [52r] dat ghij so vindicatijf en so
wraecghierich geweest sijt tegen dien heligen Inquisiteur,
dien heligen man, die maer altemits een quaet vuyl stinckende
verdorven let van het lichaem dede af snijden, op dat het
gansche lichaem niet en soude bederven. Maer siet, waer toe
dat ghijt nu ghebrocht hebt, met u vuyl bescheten requesten
tegen de helige Inquisitie, en tegen die helighe Placaten:
ba, nu hebdy dese goede Catholijcke Nederlanden in dusent
secten bedeelt.
Ba, siet en hoort, hoe sij daer buyten Antwerpen, dat groote
Babelonien, (daer alle het arch boos refuys, ende alle het
snoo quaet gebroytsel vander werelt tsamen loopt) nu staen en
preken, leeren, roepen, tieren, schreermen [lees: schreemen],
ende gebaren al tegen malcanderen. Hier staet een
vermaledijde Calvinist of Sacramentarius, daer staet een
verdoemden Lutheriaen of Martinist of Confessionist,
ghinswaert staet een vervloecten Herdooper, daerwaert staet
een duvelschen Libertijn: ende elc roept, tiert, schreemt
ende gebaert om het seerste; elck wilt het sijne voor tbeste
houden en verantwoorden.
Den eenen seyt, dattet warachtick vleesch en bloet Christi
int Sacrament des outaers niet en is. Ja, hij seght wel
stoutelick plat uut, datter maer inckel slecht broot ende
ghemeenen wijn en is, of datter maer ijdele teeckenen zijn,
die niet met allen te beschieten en hebben. Ende datter maer
twee Sacramenten en zijn. Ende dat ons [52v] lief
vrouwe Maria de moeder Godts niet altijt maecht ghebleven en
is, maer datse noch al meer kinderen gehadt heeft van Joseph.
Ou, ba, ja en hij seght wel datse noch kinder gehadt heeft
van andere diversche mans.
Den anderen seght, datter gheen Vaghevier en is, en dat wij
van monde ten hemel varen, en dat wij maer alleenlick en
behoeven te gelooven, sonder eenige goede wercken te doen,
wanttet Christus al voldaen heeft.
Dander seght, datmen de kinderen niet en behoort te doopen,
ende datmen de liens al moet herdoopen die in de Roomsche
Catholijcke kercke gedoopt zijn, ende dat Christus gheen
warachtich mensch gheweest en is, ende dat alle de vrouwen
ende tgoet al ghemeen behooren te zijn.
Dander seght, datter gheen Godt en is, noch datter geen
verrijsenisse des vleesch en is, noch datter geen
verdoemenisse, noch gheen eewich leven naer dit leven en is.
Dit wert daer buyten Antwerpen al openbaerlic ghepreect. Maer
int heymelic werden daer en elders noch al gruwelicker of
afgrijselicker predicatien ghedaen, vande Adamyten, David
Joristen ende vande ghene die heurlieder selven vant Huys der
liefden heeten.
Deen seght, datmen al onbeschaemdelic moeder naect behoort te
gaen, ghelijck Adam en Eva voor den val deden.
Dander seght, dat Christus niet Godt selven gheweest en is.
Dander seght, dat de vader met zijn dochter, [53r] de
moeder met haren sone, en de broeder met zijn suster al vrij
sonder eenighe conscientie converseren mach.
Ba, goeliens, ou, ba, wat dunct u hier af? Ba, en zijn dit
gheen raserien, murmuratien, blasphemien ende strijdingen
tegen Godt de Heere ende sijnen ghesalfden Christus? Ba, so
en weet ic niet, noch en verstae niet, wat de Propheet David
met dese Prophetie int beghinsel van sijnen tweeden Psalm
ghemeent heeft. Ba fy, aye, fy fy fy!
Den .25. dach Julii leyde B. Cornelis het veerseken uut:
Die Coningen der aerden ende de Princen werden oproerich,
ende die Guberneurs maken met malcanderen een verbont om te
strijden teghen de Heere ende sijnen ghesalfden.
Goeliens, seyde B. Cornelis, ghij moet verstaen dat onder
desen tijtel van Coningen ende Princen ooc begrepen zijn
Hertogen, Graven, Heeren, Guberneurs, Magistraten, en alle de
ghene die Landen, Steden, en Nacien van volck regieren.
Daeromme siet dan hoe merckelick dat de Propheet David van
dese bedroefde onsalige tijt gheprophetiert heeft. Want zijn
nu niet alle Coningen, Hertogen, Princen, Graven, en Heeren,
oproerich? En maken een verbont om te strijden tegen Godt en
sijnen sone, uutgenomen de Coningen, Hertogen, Princen,
Graven, en Heeren in Spanien en Italien? Ou, schijnt niet of
sij tsamen eenen raet ghesloten, ende een verbont gemaect
hebben, om het Kersten Catholick [53v] gheloove met
die helige Catholijcke religie gans en teenigaer te nieten te
doen, op dat de eere Gods ende den naem Christi geheel
vergheten, verdonckert, en uutgheroyet soude werden?
Ba, schijnet niet datse tot malcanderen geseyt hebben: Sa,
ghij Hertoge van Sassen, ghij Hertoge van Brunswijck, ghij
Hertoge van Lunenburch, en ghij Hertoge van Meckelburch, laet
ghij in u lieder landen de leeringhe van Luther, of de
Confesie van Augsburch preken. Ick Palsgrave, ick Lantgrave
van Hessen, en wij Regierders van Zwitserlant, sullen in onse
landen de leeringe van Zwinglius laten preken.
Sa, ghij Hertoge van Wirtenberch, laet ghij in u lant de
leeringe van Brentius preken. Ick Marckgrave van Brandenburch
sal in mijn lant de leeringhe van Zwencfelt laten preken.
Sa, ghij Hertoge van Cleven, laet ghij in u lant die leeringe
van de Adiaphora en van Cassander preken. Ick Hertoge van
Pomeren sal in mijn lant de leeringe van Oziander laten
preken.
Sa, ghij Coninck van Denemarcken, ghij Coninck van Schweden
ende ghij Coninck van Polen, laet ghij in u lieder landen de
leeringhe van Servetus of van de Trinitarii preken. Ick
Coninck van Vranckrijck, ick Coninghinne van Engelant en wij
Guberneurs van Schotlant, wij sullen in onse landen laten
preken de Calvinisten of Sacramentarisen.
Sa, ghij Graven van over Em- [54r] den of van
Oostvrieslant, ende ghij Heeren van Danswijck, Bremen,
Munster, Westphalen, Campen, Deventer, en Swolle, laet ghij
in u lieder landen en steden de leeringhe der Herdoopers
preken. Wij Gelderschen, wij Vriesen, wij Hollanders, wij
Zeelanders, wij Vlaminghen, en wij Brabanders, sullen int
heymelick laten preken die Adamyten, die David Joristen, die
vant Huys der liefden, die Gheestdrijvers, die Libertinen,
ende alle Gods Heymelicke vianden ende zijn bestrijders, en
uutroyers van den name Christi, sijnen ghesalfden.
Ba, so siet, goeliens, wat dunct u van die uutlegghinge der
Psalmen? Ba, laet die haechpredicanten daer buyten Antwerpen,
buyten Ghent, ende elders, de Psalmen soo een uut legghen.
Sachternoens herhaelde b. Cornelis dat veerseken van zijn
teem noch eens, te weten: Die Guberneurs maken met
malcanderen een verbont om te strijden tegen den Heere ende
sijnen ghesalfden. Och, goe liens, dit veerseken moghen
wij Catholijcken wel bitterlick beweenen en beschreien. Och,
och, och, dat sulcx in onse daghen moet volbrocht werden. Nu
wel, goeliens, al en mogen wij niet veel seggen, wij en
peynsen daeromme niet te min. Het verbont van de Guberneurs
van dese Nederlanden teghen mijn eerweerdighe Heere de
Cardinael Granvel, comt ons Catholijcken emmers nu wel suer
en bitter op.
Ba, dat [54v] moet gheseyt zijn, daer com af dat wil,
dat sulcken verbont teghen mijn Heere de Cardinael, de rechte
oorspronckelicke cause is van alle dese farce. Ja, dat en sal
ick plat uut niet verswijghen, dat alle dese raserien,
dullicheden, verhoetheden, nieuwers anders uut ghesproten en
zijn, dan uut dat verbont. Van daer comt ons dese Gueserie.
Och, ic hadde terstont den snuf in de neuse! Ba, als ick
beghonste te hooren, dat de Guberneurs een heck ende een neck
op mijn Heere de Cardinael hadden en datse Papencruynen en
sotscappruynen op heurlieder dienaers mauwen deden bordueren
in stede van een Livrey. Ba, doen wiste ick wel dat wij
Catholijcken also veych waren als een luys op eeenen cam. Ba,
dat is seker, doen wierden wij vercocht, en nu werden wij
ghelevert. Goeliens, ick hadde voor mij genomen hier af
nauwelick te roeren of niet veel te seggen, want sij souden
mij de blase ende de galle willen breken. Maer nochtans ten
baet niet, het moet uut: den Geest Gods dwinckter mij toe.
Ick gevoele wel: het wilt noch uutbersten dat mij so langhe
inden crop ghelegen heeft.
Daer begonst hij te fulmineren, te donderen ende te blixemen
op die Guberneurs, waer in hij so lancs so meer verhitte, ja,
sulcke abominable, horrible, en enorme injurien op heurlieder
uutspughende, datse ons te odieus zijn te verhalen. Want hij
sprack uut passien, uut ghekreit- [55r] heyt, ende
deur uutsinnicheyt, niet dan lueghenen en vileyne propoosten,
waer van het leste was: Ba, fy, mijn Heer de Cardinael heeft
alleen meer verstants achter in zijn eersgat, in zijn
schijtgat, dan sij alle ghelijck in heurlieder herssenbecken
of hoofden hebben. Ba segget mij vrij al naer, also icket
geseyt hebbe, en loopt daer mede tot S. Truyen, of te Duffel,
daerse nu vergadert zijn, ende noch raet houden, ende noch
verbont maken, om ons gheschoren toppen gans en teenigaer uut
te roeyen. Want sij en sullen niet rusten, tot dat sij ons
oock verpect hebben, ghelijckse mijn eerwerdige Heere den
Cardinael, dien heligen man, so deerlicken uut gesteken en
met sulcken versmaetheit bespot en beghect hebben. Het was al
om dien roden hont quijt te zijn. Ou, ba, dat moeste noch wel
sijnen eerlicksten tijtel wesen, eylacen goeden man, Godt wil
hem verblijden daer hij is.
Den .27. dach Julii quam een roep of geruchte te Brugge onder
tvolck, dat die van Tielt vier of vijf dusent sterck met een
predicant op den wech waren om bij de stat van Brugge te
comen prediken, ende dat den Predicant Meester Joris Silvanus
was, die van Tielt gheboren is. Hier op vergaderden alle de
oude Wethouders der stat van Brugge, ende hielden raet, of
sij de poorten vander stat wilden gesloten houden, of niet.
Maer mits dat andere steden, daer de Calvinisten pre-
[55v] dicten, open ghelaten wierden, so wert voor
tbeste (om alle beroerte te schuwen) gheraden, datmen een
poorte soude open doen.
Met dit gheruchte was de gansche stat in roeren, en tegen den
avent lieper veel volcx buyten naer Oelem, in een dorp
ontrent een mijle van der stat, daermen seyde dat de
predicatie geschieden soude. Hier deur quam savons noch den
roep datter die van Oudenarden waren met een Minister oft
Predicant gheheeten Jodocus.
Sanderdaechs, twelck was eenen Sondach, den .28. Julii,
ghinck seer veel volcx uut derwart. De predicatie wiert
ghedaen tusschen Brugghe en Oelem. Hier in was b. Cornelis
gruwelick ontstelt en geturbeert, hem hebbende in zijn
sermoon gelijck een dul mensche. ende naerdat hij sijnen
theem uut den tweeden Psalm (Sij seggen, laet ons van een
breken heurlieder banden, ende van ons worpen heurlieder
gareel.) geseyt hadde, riep hij: Ba, goeliens, siet en
hoort nu of mij den Geest Gods niet ingegeven en heeft, dat
ic de Psalmen Davids (die hij soo merckelick van dese tijt
gheprophetiert heeft) uut legghen soude! Ou, segghen dese
Guesen, dese Calvinisten, dese Lutherianen, dese Herdoopers
iet [lees: niet]: Laet ons van een breken der Papen en
Monicken banden ende van ons worpen der Roomsche Kercke
Catholijcke Religie, des Paus gareel, dat Antichrist pack,
der Papisten jock? Hey, snoo [56r] verraders, hey
arghe dieven, schelmen, en booswichten, met u vervloecte
Gueserie of Calvinisterie, met u Lutherie en Herdooperie en
met alle u andere vermaledijde of verdoemde secten. Men siet
nu wel dat ghij lieden het Christen geloove en die Christen
religie moe sijt! Ba, siet dese dulle, rasende, verwoede
Guesen of Calvinisten nu hier buyten eens comen om die banden
vande Christelicke Religie, die vander Apostelen tijt tot nu
toe gheduert hebben, met heurlieder duvelsche predicatie te
breken en te verscheuren, ende om het goet Catholijck volck
van Brugghe nu oock, gelijck alle andere, den Christelijcken
breydel uut den monde te nemen, ende om heurlieder nu oock te
leeren het Christelick gareel vanden halse te worpen, ende
tegen God ende sijnen ghesalfden te rebelleren en te
murmureren. Ba, goeliens, heb ict niet wel geseyt, dat ons
dese sinneloose Guesen, dese betooverde Calvinisten, noch al
naerder commen souden? Ba, wist icket niet wel dat dese
helsche raserien en dullicheden noch souden moeten over al
gaen, of daer en soude gheen ruste zijn?
Ba, commen dese uutsinnige beseten Guesen nu hier buyten niet
als ongeloovige ende dootgesworen vianden Gods, om God ende
sijnen gesalfden Christum te blasphemeren ende te bestrijden?
Ba, sij en commen noch min noch meer dan gelijck de Joden
onsen Heere Jesum quamen soecken int hofken, met [56v]
bussen, met spiessen, met messen, deghens, hellebarden,
slachsweerden, stocken en staven, ende met stormhoeyen,
tophuyven, backeneelen, int harnas, in rinckragen,
pansijsers, en alderley ander belsebuyer gheveerte ende
duvels ghetuych. Ba, Godt gheve datse alle vande donder
moeten veslagen en vanden blixem en het helsche vier moeten
verbrant werden, of deur de aerde int afgront vander hellen
sincken. Ick en wensche sij gheen argher quaet, dan daer sij
selven begheeren en soecken te wesen en daer sij behooren te
wesen, vermaledijde Calvinisten, als sij zijn. Ba soo siet!
Sachternoens vernieude b. Cornelis den selfden voorseyden
theem: Sij seggen, laet ons van een breken heurlieder
banden, ende van ons worpen heurlieder gareel seggende:
Goeliens wij en mogen van desen theem so lichtelick niet
scheeden, want daer valt seer vele ende wonderlicke schoone
uutlegghinge op. Daer riep hij met luyder kelen: Ba, waer
sijdy nu ghij Magistraet, ghij Wethouders van Brugghe? Ba,
ghijlieder moet nu oock u deel van desen teem hebben. Neen,
ghij en moecht also niet deurslupen, want ghij hebt oock in
uwen raet in u Collegie geseyt: Laet ons van een breken die
Placaten tegen de sectarisen ende van ons worpen der
Catholijcke Inquisitie, dat Spaens gareel, dat Roomsche joc,
of die Christelicke banden. Ja, ist waer? Hey [57r]
snoo generatie en wraeckghierich gheslachte. Ba, besiet nu
selven wat ghij met u rebellicheyt tegen den Inquisiteur en
zijn helige Inquisitie ghemaect hebt! Ou, besiet nu wat
datter uut u lieder vermaledijde requesten tegen de helige
Placaten volcht. Besiet ghijlieder nu selven, hoe dat u dese
stoute rabbauwen nu voor u lieder neusen commen staen preken
die verdoemde Calvinisterie.
Ba, goeliens, hier is alreede volck inde stat ghecommen die
dien haechpredicant daer buyten ghesien hebben. Ba, also waer
als God, dien rabbaut staet daer en preeckt met de bloote
beenen, en met vuyl beslijcte voeten, sonder coussens en
sonder schoens aen. Ba, siet doch eens: om dien jenten gesel
te hooren preken, is dit sot volck van Brugge dus bijster
uutgeloopen! En om dien jenten gesel en mocht men de
statpoorten niet alle gesloten houden, of anders, eylacen, en
soude hij gheen Brugsche auditores of toehoorders gehat
hebben, die zijn helige costelicke sermoonen souden gehoort
hebben! Ba, en om dat dien jenten ghesel gherustelick en wel
met payse preken soude, staet den Magistraet aen de poort en
kijcken en wachten datter bijloo gheen Catholijcken met
wapenen of gheweere uut en loopen om die haechpredicatie te
verstooren of te turbieren. Ou, en daeromme en machter maer
één poorte open staen, op dat de Catholijcken
deur gheen ander poorte uut en trec- [57v] ken, en
smijten mijn Heere den haechpredicant met alle zijn Guesen om
verre. Ba, maer siet doch, goeliens, wat hier in dese stat
van Brugge nu al te doen is met sulcken luysigen rabbaut die
daer buyten met de bloote beenen en beslijcte voeten sonder
coussens en sonder schoens staet en preect. Boven dien en
heeft hi maer een vuyl quade swarte lijnwate schabbe over
zijn hemde aen, daer hem de ellebogen deur steken. Daeromme,
goeliens, ick hebbe voor seker verstaen, dat alle dese
haechpredicanten die aldus achter lande trecken preken,
dattet maer al idioten, schoelappers, wevers, ende andere
aerme schamel duvels en zijn, ja, ten zijn maer leelicke
fylten, vuyle schudden ende inckel verloopen rabbauwen,
deuchnieten, en buersesnijders, die maer vanden schoelappers
stoel ende vant weefghetauwe op en staen, ende loopen aldus
achter lande preken al wat sij quaets ende snoots gepeynsen
of versieren connen, tegen de Papen en Moniken, teghen de
Nonnen en Baghijnen.
Ba, ghij Bruggelingen, besiet dan wien ghij aldus achter tgat
naer loopt. Ba fy, adieu honneur! Ba, nu heeft dese
Catholijcke stat heur eer en goede fame oock verloren. Ba fy,
dat ick desen dach geleeft hebbe, dat ick sulcx moet hooren
en sien! Ba, ick heb mij dese voorleden nacht wel tien mael
onder de aerde ghewenscht, en noch wensche, dat ick soo doe.
[wordt vervolgd]
|